Hopeloos?
Gerrie was een hoopje ellende. Drie verschillende rugoperaties hadden niet geholpen om van een constante erge pijn af te komen. Ze kon alleen maar even wat lopen en moest dan gelijk weer gaan liggen. Anders was het niet te harden. Ze was zo hopeloos en ellendig. Ik wist niet goed wat ik moest zeggen. Voor het eerst van mijn leven kwam de gedachte bij me op: is dit nu een situatie waarin iemand mag zeggen: ik kan niet meer, ik stap er uit?
Mijn geloof protesteerde: er is altijd hoop. God wil ook in deze situatie komen. Als je niet weet wat je moet zeggen kun je altijd nog bidden, dacht ik. Ik besloot om niet naar mijn gevoel te luisteren.
Ze accepteerde mijn aanbod een beetje gelaten. Ik stelde haar voor om haar handen open op haar schoot te leggen als een teken aan God: hier ben ik met lege handen. We hebben toen om de vrede van God gebeden. De werkelijkheid: God woont in dit lichaam, kwam heel sterk naar voren. Ik zag de spanning van haar wegglijden. Na een poosje zei ze: 'weet je, het wordt heel stil van binnen'.
Gisteren ontmoette ik haar weer. Ze vertelde: 'vanaf die keer wist ik voor het eerst: God woont in dit pijnlijke lijf van me. Hij is er en dat maakt me steeds weer stil en vol verwondering. Ik ben nu ook niet meer bang voor God'. Na een poosje praten zijn we weer gaan bidden: er kwam een diepe vrede. Ze bleef glimlachen, ook toen haar lichaam begon te trillen.
Toen ik haar probeerde uit te leggen wat ik dacht dat er gebeurde, zei ze: 'dit gebeurt thuis ook, maar nu word ik helemaal warm'. Haar verkrampte lijf heeft nog wel wat goddelijke (en menselijke) fysiotherapie nodig. Ze ging echter een stuk opgeluchter naar huis en met levenskracht. Voor mij opnieuw een les: zelfs in hopeloze situaties kun je toch God's tegenwoordigheid centraal stellen.
Téo van der Weele
