Omgaan met kwaadspreken

 
Net heb ik een gesprek afgerond. De cliënte liep met een lichte tred de deur uit. Ze heeft als directeur van een klein bedrijf 14 werknemers. Ze merkte dat ze een 'opgebrand gevoel' begon te krijgen: ze sliep slecht, had eigenlijk geen zin meer om naar haar werk te gaan. 'Wat heeft het voor zin', 'ik doe het toch niet goed', enz. enz. Daarom zocht ze hulp. Uit het eerste deel van ons gesprek bleek ook dat het niet allemaal goed zat met haar vader. Toen ze 13/14 jaar oud was voelde ze zijn handen steeds op haar lijf en hij trok haar ook op schoot, op een 'onfrisse manier'. Ze wist toen niet wat ze moest doen, hij is toch je vader. Toch was dit niet nu haar probleem. Ze wilde hulp hebben om te gaan met werknemers die aan het roddelen waren over haar. Er was er een bij, een dame van tegen de vijftig, die het heel erg deed. Als ze op de persoon af zou vragen: 'wat is er eigenlijk aan de hand', zou die mevrouw heel verontwaardigd reageren met: 'ik doe mijn werk toch goed? Nou, als U daar wat over te klagen hebt hoor ik dat graag'.

Ik vroeg me af: wat doe ik nu met dit verslag: moet ik toch terug gaan naar haar gebrek van geborgenheid, dat ze geen veiligheid bij haar vader had beleefd als kind? Ze gaf zelf aan dat ze dat op dit ogenblik niet wilde. Er zijn vele verschillende invalshoeken die je in een gesprek kunt nemen. Ook al weten we dat het effect van seksueel misbruik vele terreinen van het leven kan beïnvloeden, laten we toch de hulpvragers in controle van wat ze wel en niet willen vertellen. Dus ik koos er voor om me haar situatie in te denken: wat heeft ze nu nodig. 'Bescherming' ging er door me heen. Wel, laat ik daar dan eens naar kijken, dacht ik. Wat zou haar bescherming kunnen geven. Ik heb toen opnieuw de 'muur van vrede' uitgelegd, en hoe dat kan werken als een beschermende laag tussen haar en elke situatie die ze als onveilig ervaart. De vrede van Christus is niet 'het' maar Hem!

Ik hielp haar te zien dat ze onrustig kon zijn en tegelijkertijd de vrede van God als een 'stereo' ervaring te beleven. Dat werd voor haar een 'eye-opener'. We waren ons bewust van Gods Tegenwoordigheid in het gesprek. Zij ervoer dat ook heel duidelijk. Ik vroeg toen, 'maar je voelt je toch nog steeds rot over die kletspraatjes, is het niet?'. Ze beaamde dat en ik zei: 'maar je ervaart ook de Tegenwoordigheid van God. Wat is nu belangrijker?' Met een opgelucht, 'O, zit dat zo', was ze ook open voor mijn voorstel om niet angstig te reageren op haar werk, maar bewust het kantoor waar de roddelaarster werkte, te zegenen. Met een tevreden glimlach ging ze naar huis. In de gang vroeg ze nog over haar houding ten opzichte van haar vader. 'Omdat hij nu bejaard is en weduwnaar, moet ik hem als enigst kind toch opzoeken? Ik beloofde haar dat we daar de volgende keer over zouden spreken. In ieder geval kan ze ook daarin leren dat Jezus met haar mee gaat. Dat Hij haar een laagje 'vrede' geeft op haar vel. Ze kan toch er voor kiezen om met haar ogen de liefde van Jezus te tonen, ook al voelt ze er zelf niet veel van.

Téo van der Weele